Mijn ‘toespraak’ voor de vrouwendag van de NGK.

Op 4 november 2017 mocht ik op de Nationale Vrouwendag van de Gereformeerde Kerk wat vertellen en zingen over mijn persoonlijke ervaringen in het thema:’ tot volle bloei komen’. Heel spannend want zoiets had ik nog niet eerder gedaan. Helaas zijn er geen audio opnamen gemaakt. Ik deel graag mijn bijdrage met de links naar de originele versies van de liedjes die ik heb gezongen. Uiteindelijk is het mijn ( heel) persoonlijke verhaal over mijn jeugd en mijn opgroeien geworden. Over mijn wandel met (en zonder?) God en over het keerpunt 2 jaar geleden..

 

Het Dorp

Wat mooi als je kunt terugkijken op de plek waar je bent opgegroeid met het gevoel dat Sonneveld zo mooi bezong in zijn lied. Zo’n warm thuisgevoel dat je kunt hebben als je er weer terug komt, ook al woon je al heel lang niet meer op die plek. Terugkomen daar maakt je misschien inderdaad melancholiek en doet je glimlachen. Mooie herinneringen komen boven en die koester je want je weet dat die tijd is geweest. Je kunt er zo dankbaar voor zijn. Ik zelf ben ook opgegroeid aan een buitenweg van een klein dorp. Hier niet ver van vandaan. Ik ging naar school in het dorp, maar als ik terug denk aan die plek heb ik zeker geen warme gevoelens. Het gevoel uit het lied herken ik zeker niet. Sterker nog: als ik er nog wel eens kom moet ik altijd even diep zuchten en een drempel over.

Als kind had ik te maken met pesten. Dat pesten heeft tot in het eerste jaar van de middelbare aangehouden. Het heeft een stempel gedrukt op mijn jeugd en op wie ik ben. Maar toch, als je me nu zou vragen wat er nou allemaal precies is gebeurd dan zou ik het je misschien niet eens echt kunnen vertellen. Het pesten was maar zo nu en dan fysiek. Het was vooral een continue aanval op mijn gevoel van zelfvertrouwen. Een voortdurend spel van aantrekken en wegduwen. Ik werd ‘ineens’ betrokken bij het groepsproces om daarna keihard te kijk te worden gezet. Aardig doen in my face, en achter mijn rug om de meest nare dingen doen en zeggen. Buitengesloten worden. Er werd altijd over mij gepraat. En op de momenten dat ik er bijna echt doorheen zat, werd ik weer betrokken, groeide mijn vertrouwen in de ander en in mezelf. Begon ik me veiliger te voelen, overtuigde ik mezelf dat het nu echt klaar was en dat het pesten eindelijk voorbij was. En op het moment dat ik weer wat uit mijn schulpje kroop  begon alles weer opnieuw.

Ik vertel dit omdat deze ervaring de niet heel gezonde bodem was waarin mijn zaadje werd geplant. En omdat het zo van invloed is (geweest) op mijn latere leven. Want we gingen ook naar de kerk in dat dorp. Mijn moeder was voorzitter van de kerkenraad van de hervormde en later samen-op-weg gemeente en dus zat ik er iedere zondagochtend. Ik zat er uit verplichting. Het hoorde zo maar het deed weinig met me. Ik heb niet heel veel herinnering aan hoe ik als kind was, behalve dan aan hoe ik omging met mijn onzekerheid, maar ik weet bijna zeker dat ik nou niet echt een heftige gelovige was. Ik had in ieder geval geen persoonlijke relatie met God.

Op mijn 16e deed de gemeente ons de das om. Mijn moeder raakte, na een intens heftige periode binnen de kerkenraad en de gemeente, in een zware burn-out en heeft een jaar niet kunnen werken. Mijn toch al fragiele binding met de kerk en geloof raakte volledig weg. Het was beslist geen bewuste keuze. Maar we gingen simpelweg niet meer naar de kerk en dus maakte het geloof geen enkel deel meer uit van mijn leven. Het zaadje was geplant, door mijn opvoeding, maar voeding kreeg het niet meer. Niet vanuit thuis en niet vanuit school en zeker niet meer van mezelf.

Tot op een zekere avond – we woonden inmiddels hier in Emmeloord- mijn moeder en ik langs kerkgebouw de Hoeksteen reden en ik zo ‘ineens’ tegen haar zei dat ik wel weer eens een dienst wilde bezoeken. Terugkijkend weet ik zeker dat die woorden niet door mijzelf waren gegeven. En dus gingen we voorzichtig aan weer ter kerke. Met z’n tweetjes en het was oke.

En toen werd het december 1998. Ik ben 22 jaar. Werk in de gevangenis als bewaarder en woon in Almere Haven waar ik een klein studiootje heb. Mijn moeder verteld me dat mijn vriend, mijn opa na een serie hartaanvallen in het ziekenhuis ligt. Ik was een dag daarvoor nog bij hem geweest. Hij was bij de huisarts geweest omdat hij wat maagklachten had. Hij kwam thuis met zak medicatie en zei: ‘het is niet mijn maag, maar mijn hart’.  Een dag later ligt hij in het ziekenhuis en wordt het al vlug duidelijk dat hij het niet redden gaat. Ik neem op zijn een-na-laatste dag afscheid. Hij kijkt naar me. En knip-oogt. Die ogen. Waar altijd van die ondeugende lichtjes in brandden. ‘Wat kijk je toch?’ vraagt mijn tante die ook bij hem is. ‘Laat me’, zegt hij terwijl hij me aan blijft kijken, ‘Ik heb d’r nu nog in het vizier’. En ik hem. En ik zweer het, tijdens die ogenblikken zag ik de lichtjes doven. Ze verdwenen.. Na 9 dagen in het ziekenhuis overlijdt hij op 2e kerstdag. Zijn laatste woorden aan mijn oma: ‘Niet huilen Gepke. Ik ga toch naar Abba vader’

LIED: ABBA VADER

Ik zeg wel eens: ‘als ik al ooit het bewijs van God’s bestaan had wíllen hebben dan heb ik het, met die laatste woorden van opa gekregen. Zo vol vertrouwen gaan. Ik besloot dat ik belijdenis wilde gaan doen. Ik deed het en zong tijdens de dienst dit lied. En het lied komt sinds die tijd steeds terug: tijdens mijn trouwen en de doop van onze kinderen.

Ik had dus belijdenis gedaan en leefde verder mijn leventje. Het leek heel veelbelovend maar eigenlijk was er niet zoveel veranderd. Ik leefde mijn leven en hoewel ik nooit heb getwijfeld aan God’s bestaan maakte Hij geen actief, dagelijks deel uit van mijn leven. Ik bad zo nu en dan -vooral op de momenten dat ik ‘in de rats zat’- maar verder was ik eigenlijk helemaal niet met Hem bezig. Dat was niet een bewuste keuze van me. Zo liep het gewoon. Het voelde ook niet naar. Het voelde niet als een leegte of iets dat ik mistte. Op dat moment. Het feit dat ik verzoop in mijn onzekerheid en zekerheid opzocht op allerlei verkeerde en foute manieren wees ik niet toe aan het feit dat mijn relatie met God aan een zijden draadje hing. Ik dacht daar geen moment over na. Op de een of andere manier vond ik het voldoende. Het was goed zo. Maar eigenlijk liep het op allerlei gebieden spaak. Ik vond geen echte liefde. Ik had geen betekenisvolle vriendschappen en als het er op leek dat het toch op mijn pad kwam verstoorde de onzekerheid over mijzelf het en nam ik wederom foute beslissingen en zocht mijn heil bij te veel jongens.

Ik kwam zelden in de kerk en voelde me daar soms rot bij. Maar ik kon het simpelweg niet vinden in de diensten daar. Toch was het geloof belangrijk voor me. Ik had een fijne baan en een heerlijk appartement. Ik was best gelukkig. Ik ontmoette mijn man. Mijn niet christelijke, fantastische, goede, geweldige man en ik wist dat ik met hem mijn leven wilde delen. Dat hij niet gelovig was vond ik op zich prima. Zolang hij maar accepteerde dat we zouden trouwen in de kerk, onze kinderen zouden worden gedoopt en naar een christelijke school zouden gaan. En dat deed hij. Legde mij geen strobreed in de weg en liet mij vrij in alles dat ik deed. We kregen vier geweldige kinderen. En toch veranderde er dus nog steeds niet echt veel in mijn dagelijkse, Christelijke leven.

Een paar jaar geleden nog zou ik hebben gezegd dat ik geen spijt had van de periode voor mijn trouwen waarin ik er wat op los leefde. Ik ‘verkocht’ het als: ‘Het heeft me gemaakt tot wie ik ben. Ik ben er niet trots op, maar ik heb er geen spijt van’. Een liedje dat ik een aantal maanden geleden voor het eerst hoorde greep mij direct naar de keel. De woorden maakten mij pijnlijk duidelijk dat ik weldegelijk spijt had. En heb. Het was alsof ik die tijd in een oogwenk allemaal weer herbeleefde. Alle kortstondige, zogenaamde ‘relaties’ passeerden de revue en ik schaamde me. Intens. Hoe in Hemelsnaam kon ik belijden dat ik Jezus wilde volgen als ik niet eens kon erkennen hoe fout ik had gezeten. En was ik Zijn Liefde wel waard? Hoe dan?

LIED: ‘How can it be’

En toen werd het oktober 2015. Een kennis van me tagde mij onder een oproep op facebook voor zangers en zangeressen voor een projectkoor van Martin brand en Henk Doest. ‘iets voor jou?’, schreef ze. Ja, weet ik veel! Heb je wel eens meegemaakt dat je in bepaalde situaties terecht komt en dan eigenlijk niet helemaal terug kunt halen hoe dat nou precies gebeurd is? Ken je dat?

Ineens zat ik tussen ongeveer 100 mensen waarvan ik de meesten toch echt niet kende en stond er een of andere Martin Brand voor onze neus te vertellen hoe gaaf het toch niet was dat we er waren. En hij vertelde over zijn binding met die kerk, de Vrije baptisten gemeente hier in Emmeloord. Dat hij in deze contreien is opgegroeid. En dat ‘ie een liedje voor ons wilde zingen. En dat ik vond dattie best lekker zingen kon. Maar ík zat er totaal niet lekker en voelde me enorm ongemakkelijk. We baden met z’n allen en tijdens dit gebed werden er liedjes gezongen in een, voor mijn gevoel, eindeloos durende worship sessie. Ik vond de liedjes prachtig, maar kende ze niet. En ik zag handen in de lucht gaan en dacht alleen maar: doe normaaaal! Er werden bijbel teksten geciteerd en er werd uitbundig gezongen. Ik voelde een totaal ambivalent gevoel in mijn lijf: ‘Wat is mijn Bijbelkennis toch bedroevend slecht’, en: ‘Ik wil ook zo kunnen zingen!’. En ik dacht letterlijk: ‘leuk hoor, zo’n koor, maar ik ben hier toch helemaal niet Christelijk genoeg voor!’ Hoewel de minipreekjes van Martin me stekelig raakte besloot ik om niet terug te komen voor de tweede repetitie avond. Niet mijn cup of tea. Aan het einde van de avond stuurde Martin ons naar huis met de boodschap: ‘tot volgende week. Kom!” En toen zei híj letterlijk: ‘Niemand is hier christelijker dan de ander!’. Euhm…..
De volgende ochtend vertelde ik thuis over de avond en dat er gevraagd werd om solisten en dat deze de volgende repetitieavond konden voorzingen. En ook dat ik niet verder ging met mijn deelname en dat het niets voor mij was. Mijn oudste dochter (toen 11) trok toen flink van leer. ‘Als wij ergens aan beginnen….’.  Laten we zeggen dat ik ondanks mijn ouderlijk gezag niet veel in melk te brokkelen had en dat er tevens van mij werd verwacht dat ik zou voorzingen. Dus, tja.. Ik ging hè.. Diezelfde dochter had een liedje voor me uitgekozen en verwachtte een full-report bij thuiskomst.. Ik ging.. en werd gegrepen. Ik werd geraakt en geïnspireerd. Martin’s manier van spreken was verfrissend en verhelderend voor me. En voor het eerst voelde ik ook echt dat ik er nog lang niet was. Maar ik voelde ook een intens verlangen naar het zoeken. Naar een echte persoonlijk relatie met Jezus. Het zingen maakte een storm aan gevoelens bij me los. De mensen om me heen ook. De opwekkingsliederen en de gospels die we met 100 mensen zongen, waren stuk voor stuk raak. Ik raakte in vervoering, moest huilen en lachen en voelde me ineens zó op mijn plek terwijl ik me tegelijkertijd ineens weer zo heel klein en onwetend voelde. Nu durf ik te zeggen dat de Heilige Geest Zijn werk deed door me te laten zingen. Ik zong al sinds mijn kindertijd. Op allerlei verschillende manieren, bij verschillende gezelschappen en bands maar deze keer zóng ik! Ik zong met angst en beven voor, en ik mocht soleren..

LIED: MOOIE PRAATJES

Ik heb vaker gezongen en opgetreden maar voor dit concert ervoer een ongekende hoeveelheid zenuwen. Ik snapte er niets van! Tot iemand me zei: ‘Je hebt nu ander publiek’ en met haar vinger wees ze omhoog.
Tijdens het concert voelde ik een ongekend gevoel van puur geluk. Zo’n overweldigende vloedgolf van geluk dat zó rauw was dat het bijna pijn deed. Ik heb zo intens genoten. Raakte zo intens geëmotioneerd en voelde me zo intens op mijn plek. Ik wist: om deze reden mag ik zingen. God is op dit moment zó bij me. Hij heeft mij in al die jaren niet losgelaten. Ook al liet ik hém wel steeds meer los. Of beter: vond ik het steeds moeilijker om hem vast te houden. Het was als een nieuwe start die ik heb mogen ervaren. Een soort van reset. Ik voelde ‘ineens’ een diep verlangen om opnieuw kennis te gaan maken met Jezus. Het emotioneerde me en ik raakte in de war. Ik ging zoeken naar mijn plekje want ik voelde nog altijd niet dat ik die écht gevonden had.

En ik weet soms nog altijd niet precies wat mijn plekje is en hoe ik alles praktisch in moet vullen in mijn leven. Dus ik blijf zoeken en mensen ontmoeten en leren. En soms vind ik. Ik voel me soms nog als een onervaren peuter binnen mijn ‘nieuwe’ christelijk leven. Maar wat ik zeker weet is dat ik op koers lig. Dat ik ‘op de goede weg’ ben. En dat ik hierin mag weten dat ik samen met Jezus op weg ben. En dat Hij me helpt te bloeien om de mens te worden die Hij voor ogen heeft. Hoe ingewikkeld ik dat soms ook vind. De bodem van het zaadje wordt steeds gezonder en is steeds ontvankelijker voor Zijn voeding.  Ik mag er zijn, ook al bloei ik nog niet vol. Al ben ik er nog niet. En ik weet: zingen mag ik. Zingen voor Hem. En dat doe ik. Op zoveel verschillende manieren en met zoveel verschillende mensen. En dat alleen zijn al meer dan tienduizend redenen voor dankbaarheid.

LIED: tienduizend redenen

 

Een gedachte over “Mijn ‘toespraak’ voor de vrouwendag van de NGK.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s